ladinglijst van "de Heemskerck" 4 ps. gecouleurde lakenen langh samen 110,5 el a 53/4 gl. d’el F 635. 7. 8. 5 ps zijde patholen 45.- 10 ps. gecouleurde armosijnen 51.- 4 ps. roode bethilles 30.- 4 ps. guinees lijnwaet 24.- 10 ps. golcondase dekens 22.- 10 groene chinese cangans 22.15 500 chinese spiegeltjes 65.- 50 catti chinese corael 63.15 1 picol wasch 56.02 2 picol peper 51.- 20 boekspiegel a 2 gl 40.- 50 slechte messen 40.- 19 @ olijphantstanden 19.- 2 pampieren clatergoud 20.- 200 @ allerhande iser 24.- 5/8 ra swaerte goud in een gouden coubangh 20.14. 6 50 @ Hollants stael 17.10 50 @ sandelhout 18. 9.12 4 witte smalle baftas 20.- 4 garen taffechelas 16.- 1 picol suijker 14. 0. 8 25 @ thin 11. 3. 2 50 @ spiaulter 11. 3. 2 25 ps gesorteerde isere pannen 11. 9. 8 20 @ giroffel naegelen 10,- 200 ps. houte chinese cammekens 10. 4 50 parranghs a 12 ps. per reael 50 bijltges 21. 7. 2 1 picol cassia lingua 7.13 4 @ schilpatshoorn 4.16 2 ps. caliturs hout 4. 4 50 @ looth 4.- 50 chinese naelden 3. 8 4 blauwe chelas 16.16 20 enckele tapechindes 15.- 4 Sarassen leij de Coutchin 14.- 4 breede zuratse chits 12.- 4 poulangobars 8. 8 10 pampieren chinees gouddraet 1.19 10 @ foelij 2.10 5/8 ra silver in een coupan 1.11.14 10 @ notemuscaten 1.- 50 @ allerhande coper in een mantje * diveersche neurenburgerij in 1 d * 50 @ sappanhout * 50 @ ebbenhout * 100 pr. diveersche sorterijngh porceleijn * 1 groot coper becken * 3 ps. Peerlen * F 1470. 4
verklaring
a of @ (ii,1/ii,2) • afkorting van el * . Portugees ana = el, evenals Frans aune [ook: ana, aune]. armozijn (i,2) • dunne zijde * of satijnachtige stof, veel als voering gebruikt. Naar de stad Ormuzd ge-noemd [ook: armesijn; zie ook: chauls]. patholen (ii,3/iii/gm4) • fijne gewaden, meest van zijde *. Zie yule-burnell in voce patola. stapel II, 3, spreekt van ‘patholen of sijde chindos’, of ‘cattoene patholen’ evenals ‘zijde patholen’. Herhaaldelijk worden patholen en sitsen * voor dezelfde lijnwaden gebruikt. GM4: licht zijden weefsel met slangenmotief [ook: patola, petola. bethilles (i,1/ii,2) • fijne mousseline, sluierachtige doeken. De meeste kleden waren effen - zwart, groen, paars, indigo - met een veelal rood hoofd * .Daarnaast had men vrij veel geruite; alle waren in hoofdzaak bestemd voor kleding: heupdoeken, buikbanden en hoofddoeken; ook wel voor dekens. Volgens yule-burnell komt de naam waarschijn-lijk van het Spaans-Portugees beatilha = sluier. Bethilles-otisaals of d’Oirnaal of d’Oringaal waren zo genoemd naar de plaats Oragel bij Golconda. Bethilles-allegias waren van legia * -zijde * gemaakt. Verder werden nog tal van onderscheidingen gemaakt, meest naar de plaats van herkomst, als Burhampurse, Cammanse, Sesterganti- en Calle-waphu-bethilles. yule-burnell noemt de laatste callawapores [ook: betej]. kleed (i,1/p/a) • 1. textiel, in vele soorten; dit vorm-de, hoofdzakelijk komend van de kust van Coromandel (kustkleden), het voornaamste ruil-middel van de Compagnie. Zij werden in Oost-Indië, Perzië, Arabië en Europa verkocht. De gelijknamige soorten, in verschillende plaatsen gemaakt, weken af in kwaliteit, kleur en afmetingen. De ma-ten werden uitgedrukt in cobido’s * . De weefsels (drie- of vierdraads) en de kleur waren van invloed op de handelswaarde. De meeste kleden waren effen zwart, groen, paars, indigo * met een, veelal rode, baan aan de zelfkant. Die baan noemde men het hoofd * . Daarnaast waren er vrij veel geruite kleden. Alle waren in hoofdzaak bestemd voor kleding: heupdoeken, buikbanden en hoofddoeken; ook wel voor dekens. Evenals de doeken meest van katoen geweven, maar fijner en met bonte figuren versierd, waren de sitsen * (een enkele maal ook van zijde * geweven). De bewerking hiervan had veel overeenkomst met batikken. Op enkele plaatsen had de Compagnie in haar loge een eigen ververij. In werken als yule-burnell, milburn, valentijn en havart vindt men opsommingen van de talrijke soorten en variëteiten, maar nergens treft men een bespreking aan van de kenmerkende eigenschappen van elke soort. De enige die daartoe een poging deed is stalpaert in zijn Informatie, kort na 1603 opgesteld. Verder vindt men enkele elementen tot een beschrijving in jasper-pirngadie, heiden en van hoytema. In de korte schets worden ook enige kleden beschreven. [ook: doek, lijnwaad, lijwaat, textiel; zie ook: kain]; 2. een rol of baan zeildoek, 2 voet * 8 duim * breed. cangans (ii,1) • veelkleurige katoenen sjaals van de kust van Coromandel. Thans worden aan de oost-kust van Afrika nog in Europa gedrukte katoenen sjaals verhandeld, die daar kanga’s heten. Mogelijk is de naam van Europese oorsprong. Zie verdam-verwijs in voce cangant, goed met weerschijn, en het Franse changeant. kati (i,2/gm9/a/t4) • gewichtseenheid, 1/100 pikol * of ongeveer 6 hectogram. GM9: kati op Banda weegt 5 3/4 pond * . A: gewichtseenheid van 625 gram. T4: een van oorsprong Chinees gewicht dat stond voor 16 taël * , 1/ 100 pikol of circa 6 ons. Maleis käti [ook: catsy, catti, cattij]. corael (gm3) • vangkraal (voor olifanten). pikol (ii,1/p/k) • draaglast; zoveel als een man aan een juk kan dragen, meest bepaald op 125 pond * . Onderverdeeld in 10 gantang * en 100 kati * . Maleis pikul; pikulan = juk. P stelt de pikol op 120 pond en maakt onderscheid in de pikol Siam en pikol Pegu van dat gewicht en de pikol Batavia en pikol Tayouan van 122 pond. K: 122 1/2 pond. clatergoudt (p) • bladgoud. koban (i,2/ii,1) • kleine ban, gouden munt in Japan, ovaalvormig en bijna 18 gram wegende. Tot 1696 was de koban 21 karaat * , een goudgehalte van 85,69, en gold ongeveer ƒ 24, daarna 13 1/2 karaat, een goudgehalte van 56,41, en ƒ 15,60, dat is 6,8 taël *. [ook: cobang, coubang, coupan]. baftas (i,1/ii,3) • fijne katoenen doeken, wit en zwart, ‘lanc 6 vadem * ende sijn bij stucken gepackt in pampieren en hebben boven op de ruggen een vergult wapen, alwaer men die aen kent voor vol-maect mogen passeren’ (stalpaert). Ze waren in geheel Azië zeer in trek. De beste kwamen uit Broach. Van het Perzisch bâfta = geweven [ook: beeuwtas]. taffachelas (i,1/ii,1/ii,2) • fijne, gestreepte zijden of katoenen weefsels uit Coromandel. In de korte schets: taffa cillers ‘waren fijne witte gestreepte kleedjes, met zwart doortrokken’. Het Arabische tafasjilah is het meervoud van tafsjilah, letterlijk: stuk van een stof. De combinatie taffachelas gingam * betekent katoenen taffachelas [ook: bairams, beram, berm, bheram, taffachijs, topzeyl; zie ook: bherm, tapseyl]. spiaulter (iii/gm1) • zink. GM1: ook mengsel van lood en tin. Middelnederlands speauter, Duits Spialter, Engels spelter en Frans spiautre [ook: rocktu-tia, speaulter; zie ook: tutanego]. tutanego (i,2) • zink uit het in China gevonden tuta-nego-erts; hetzelfde als spiaulter * . Verschillende auteurs (zie savary sub voce tinténague) beweren dat tutanego Chinees koper zou zijn, vermoedelijk een vergissing die de een de ander heeft nageschreven [ook: tintemago]. garioffelnagel (i,1) • eerste kwaliteit kruidnagel * [ook: giroffel]. parang (ii,1/t1/gm9) • kapmes. Maleis. T1: Hakmes, houwer. GM9: pede * [ook: paringh, par-rang, parryng]. parra (ii,2/k/gm3) • 1. graanmaat, niet overal van dezelfde inhoud, zodat meest het gewicht erbij werd gevoegd. In Pulicat had men parra’s van 48, op Ceylon van 40, in Nagapattinam van 37 1/2 pond *. In Pegu werd de rijst * verhandeld bij parra’s van 52 pond. K: Malabars gewicht van 40 pond; 2. GM3: vaartuig van de zuidoostkust van India. reaal (ii,1/t2/gm1) • Spaans-Portugese munt van 6 stuiver * . Daarnaast bestonden: 1. de reaal-van-ach-ten* of standaard-reaal (afgekort als a/r), een zilve-ren munt ter waarde van 8 realen of 48 stuiver (GM1: sedert 1622 60 stuiver), 2. de reaal van vieren ter waarde van 24 stuiver, 3. de mark- of Spaanse reaal * , die in Indië 60 stuiver gold. reaal, spaanse -, zie markreaal. reaal van achten (k) • zilveren Spaanse munt, ge-munt in Mexico, Peru en Sevilla. Zie bij reaal [ook: colonne, mexicaan, peruaan, pilaar, seviliaan]. cassia fistula (i,2) • soort cassia (kaneelachtige plant), uit welker lange zaadpeulen een laxeermiddel werd bereid [ook: kassie; zie ook: cassia lignea]. cassia lignea (i,2/t1/p) • bast van een plant uit de familie der kaneelachtigen (cassia), die als minder-waardige kaneel in de handel kwam. Zie ook woordenboek der nederlandsche taal op kassie en kern II, blz. 57. P: pijpkaneel [ook: houtkassie, lig-nea; zie ook: cassia fistula]. chela (ii,1/ii,2/t4) • fijne katoenen stof, meestal kalkoenrood. Javaans tjele; het Sanskriet chela is mantel of sjerp. Zie yule-burnell in voce shalee, waar onder andere ook de vorm sallallo voorkomt. T4: rode, witte of gele katoenen stof met zwarte strepen [ook: chialouw, selalous, sjolij; zie ook: rechatta]. tapichindos (t3) • bontgeschilderde soort doek, rok of kleed [zie ook: tapis, sitsen]. serassen (ii,1/t3) • veelkleurige zijden doeken. T3: bedrukte katoen met gevariëerde patronen, uit Coromandel [ook: sarassen, zarassen; zie ook: sera-sah]. coutenijs (ii,1/ii,3) • mooie doeken van zijde * of half katoen en half zijde, uit Gudjarat. Oorsprong van de naam is vermoedelijk het Perzische kuttan = kledingstuk. Zie yule-burnell in voce cuttanee. Er is ook sprake van zijden stoffen ‘met diverse couleuren van streepen’. sits (i,1/ii,2) • kleurig bewerkt doek van katoen of zijde * , meest gebruikt voor tulbanden of gordels. De bewerking ervan had veel overeenkomst met het batikken. Op plaatsen waar de Compagnie in haar loge een eigen ververij had werden de sitsen door inlanders bewerkt naar voorbeelden, die zij zeer getrouw navolgden. Het was een langzaam en geduldig werk. havart: ‘Eerst krijgen zij het lijwaat ruw, dan wasschen zij het wit, dan stampen ze wat kar-kayl [mogelijk carica * of galnoot met buffelmelk vermengd], doen het in melk, waarin dit witte lij-waet werd gestoken en vervolgens gedroogd. Daarna word het op hare wijze gevouwen en effen geklopt om te dichter te wezen. Dan word er op ge-sponst en verw gemaakt van een zeker root-hout, waarmede de eerste trekking op de spons gedaan word. En wanneer zij nu verscheyde coleuren bege-ren te hebben, zo van rood, paars, groen enz. dan werden alle die plaatsen met aluynwater, dat door haar, ijder naar zijn wetenschap, gemengd word, bestreken en voorders geschilderd naar de mon-sters, die zij nevens haar hebben leggen.’ Een betere beschrijving is te vinden in stapel II, 2, blz. 205-210. stalpaert spreekt van tschijndes, van het Hindus chint, vanwaar, via het Engelse chitz, ons sits komt. De Maleise naam is tjita, Javaans tjinde. Zie yule-burnell in voce chintz [ook: chindos, chits, tsjints]. poleng (i,1) • ruit; gebruikt in combinatie met een textielsoort, zoals tapis poleng. stalpaert zegt van poleng ‘anders genoemt tjambes’ en omschrijft ze als kleine kleedjes, ‘ruytwijs geschoren’. Poleng komt in de Javaanse weefindustrie nog zeer veel voor. jasper-pirngadie bespreken bijna honderd poleng-soorten. Mogelijk is de bij de Compagnie veel voorkomende naam boulang voor een soort kleden een verbastering van poleng. Javaans [ook: poelang, poele; zie ook: govers, pelinghs, pelongs, timbes]. sapanhout (i,2/ii,1/gm1) • donkerrood sandelhout, hout van de caesalpina sappan, gebruikt om rode verfstof uit te trekken, voor inlegwerk en als medi-cijn. Oud-Javaans sapang = rood. GM1: het kwam overeen met brazielhout (pernam-bucahout* ) en was zeer gewild in Japan [ook: cham-pahout, sappanhout]. verklaring van de aanduiding van de vindplaatsI,1, I,2, II,1, II,2, II,3, III en IV = de vier delen in zeven banden van Pieter van Dam, Beschryvinge van de Oostindische Compagnie, uitgegeven door F.W. Stapel (Grote Serie 63, 68, 74, 76, 83 en 87); IV kent geen glossarium en is derhalve voor dit VOC-glossarium niet gebruikt. GM = de elf delen van Generale missiven van Gouverneurs-generaal en Raden aan Heren XVII der Verenigde Oostindische Compagnie, bewerkt door W.Ph. Coolhaas, J. van Goor en J.E. Schooneveld-Oosterling (Grote Serie 104, 112, 125, 134, 150, 159, 164, 193, 205 en 232 - deel 10 is nog niet verschenen). T = de vier delen van De dagregisters van het kasteel Zeelandia, Taiwan 1629-1662, uitgegeven door J.L. Blussé, M.E. van Opstall en Ts’ao Yung-Ho (Grote Serie 195, 229, 233 en 241). P = Bronnen tot de geschiedenis der Oostindische Compagnie in Perzië, uitgegeven door H. Dunlop (Grote Serie 72). A = Memories van overgave van gouverneurs van Ambon in de 17e en 18e eeuw, bewerkt door G.J. Knaap (Kleine Serie 62). K = De Nederlanders in Kerala 1663-1701. De memories en instructies betreffende het commandement Malabar van de Verenigde Oostindische Compagnie, bewerkt door H.K. s’Jacob (Kleine Serie 43). (Bron: W. Bultje, februari 2003) << terug
|
 |